VERHUIZING

omdat deze weblog behoorlijk rampzalig is, ben ik verhuisd naar www.gedachtenvoorhetslapengaan.wordpress.com  volg me daar!!

5 December 2011
By on 14:01
Henk Alkema 20-11-’44 – 04-08-’11

Er lag een rouwkaart in mijn brievenbus.

Omdat het huis onbewoond was geweest vanwege de vakantie, zag ik dat de gelegenheid tot persoonlijk afscheid nemen allang voorbij was. Ik schrok. Ik wilde met iemand over hem praten. “Jowie” dacht ik, “Ik moet Jowie bellen”. Mijn vriendin van school, mijn vriendin door de jaren heen… maar negen jaar geleden gestorven. Ook mijn Geliefde is er niet om die oude vriend te gedenken, mijn ouders zijn er allang niet meer… Met wie kon ik over hem praten en vooral lachen om de malle dingen die hij zei?

Ik keek nog eens op de rouwkaart. Er stonden namen op die me niets zeiden, we hadden elkaar te lang niet meer gezien en gesproken. Ik ken zijn huidige vrouw en zijn dochters niet. Ik besefte dat er niemand was, waar ik nu bevriend mee ben en die hem ook gekend heeft. Mijn herinneringen aan hem, moeten helemaal uit mezelf komen.

Hij was student aan het Conservatorium in Den Haag, toen ik hem voor het eerst ontmoette. Het begeleiden van balletlessen was een aardige bijverdienste voor hem. Hij was een liefhebber van atonale muziek en de lessen waarbij hij speelde werden er zwaar en somber van. Maar hij was geweldig gezelschap in het koffiehuis op de hoek en we raakten soms in diepe gesprekken gewikkeld over leven en dood en schoonheid en muziek en kunst. De allereerste pop-art tentoonstelling heb ik met hem bezocht. Hij nam me mee naar een echt jazzcafé. Hij hielp me bij muziekanalyse (dankzij hem een 9 op mijn eindexamen). Ik ging naar zijn jazzconcerten en was tijdelijk wanhopig verliefd op de vibrafonist. Mijn eerste stage-balletlessen, die ik moest geven op school, aan kinderen van een jaar op 8, werden ook door hem begeleid. Die kinderen hingen voornamelijk ondersteboven aan de barre en maakten een zootje van mijn les. “Jij kan geen orde houden,” zei mijn pianist, “dat wordt helemaal niets met jou, je bent totaal ongeschikt om les te geven.” Daar moest ik vaak aan denken, later. Een eigen balletschool, 6 keer de choreografie gemaakt voor Kinderen voor Kinderen, 33 jaar lesgegeven aan een Dansacademie: ik had iets bijgeleerd, na die eerste rampzalige kinderlessen.

Hij kwam toen regelmatig bij ons thuis aan tafel zitten. Niet omdat de kookkunst van mijn Moeder zo fantastisch was, maar omdat mijn ouders een zwak hadden voor arme kunststudenten. In ruil voor die hap, speelde hij op onze oude, ongebruikte piano heerlijke romantische stukken voor mijn moeder en hij discussieerde met mijn vader over poëzie en godsdienst. Ik zat er gelukkig bij te kijken, als zestienjarige.

Ik kwam hem later nog wel eens tegen, ik geloof dat hij tijdelijk een cabaretgroep begeleidde… Ivo de Wijs? Don Quishocking? We zijn ook een keer verschrikkelijk doorgezakt, zodat hij moest blijven slapen en vervolgens bij mij thuis heel erg misselijk werd. Dat was zo’n beetje de laatste keer, je raakt elkaar kwijt als je niet samen werkt of bij elkaar om de hoek woont. En ach… we waren geen jeugdliefdes van elkaar, dus zo erg was dat allemaal nou ook weer niet.

15 jaar later, ontmoette ik hem opnieuw. Mijn Geliefde  kreeg een nieuwe baan en kwam de eerste dag opgewekt thuis met verhalen over iedereen die hij ontmoet had. “Leuke man gesproken,” vertelde hij, “Met een bizar gevoel voor humor,” en hij zocht zijn naam op in zijn agenda. Wat??? Inderdaad. Mijn balletbegeleider van vroeger, nu Vader van 2 kinderen, astroloog, componist, zeezeiler, verhalenverteller, Reiki-meester en docent op het Conservatorium van Utrecht. Ze werden vrienden, mijn Geliefde en mijn jeugdvriendje en eigenlijk hoorde ik er niet meer bij. Ze gingen elk jaar met z’n tweeën een paar dagen de zee op om eens goed te bomen over kinderen, vrouwen, drank en liefde. Natuurlijk was hij musicus… maar daar hadden ze het niet over. Ik zag hem zelden, af en toe bij een concert misschien of een Nieuwjaarsreceptie, waarbij hij eens, met een glaasje wijn in zijn ene hand, me met zijn andere hand Reiki gaf, zodat de pijn in mijn rug verdween. De laatste keer dat ik hem sprak was tijdens de crematie van mijn Geliefde.

En nu ligt er een rouwkaart in mijn overvolle brievenbus. Ik wist niet eens dat hij ziek was, want we hadden het contact weer verloren. Op de foto kijkt hij naar de zee, handen in de zakken van een iets te slobberige corduroy broek, beetje kalend achterhoofd. Maar ik denk aan hem met een glimlach. Onderaan de kaart stond in hele kleine lettertjes:

Henk Alkema hield van aardbeien; Magister dixit.

 

18 August 2011
By on 10:58
Een regenachtige zomerdag

“Het regent,” zei de Kunstenaar “en het is vakantie. Kom mee Muze, we gaan naar het Museum. Eens kijken wat mijn collega’s zoal doen.”

Dus stapten de Kunstenaar en zijn Muze in de auto, nagekeken door twee zeer teleurgestelde honden. Het was echt Museumweer: lichte storm en striemende regen, zo typerend voor augustus.

De parkeerplaats bleek zo’n 600 meter van de ingang van het Museum, dat als een grote platte doos midden in een weids en waterrijk landschap lag. “Het regent nog steeds” constateerde de Kunstenaar en ook dat we geen plu bij ons hadden.  “Dan maar nat” zei de Muze en ze glibberde met haar open schoentjes over een houten bruggetje. Je moet wat voor de Kunst over hebben, tenslotte.

Binnen hing een aangename sfeer van koffie en gedempte stemmen, zoals dat hoort in een Museum. We betraden hoopvol de tijdelijke tentoonstelling met het thema “Landschap”. Hedendaagse Kunst, van Kunstenaars uit het Noorden van het land en min of meer uit de omgeving van het Museum. Wat meteen opviel, was de kijkdoosachtige vorm van de Museumzaal, best wel mooi, lekker veel hoge muren, maar het licht was merkwaardig, alsof ze bezuinigd hadden op de spotjes.

Maar al rondwandelend zakte de spirit tot ver onder zeeniveau, want je werd niet blij van de Kunst die daar hing. De Muze snapte er niets van. Vreemde schilderijen waren dat, sommige op een plankje (beetje scheef afgezaagd) of op papier (dat krom trok en met spijkertjes in de muur vastzat) en als het op doek was geschilderd dan leek het alsof het nog niet helemaal klaar was, zonder lijst en met vegen en klodders op de zijkanten. De Kunstenaar liep ook een beetje verloren rond. Hij werkt zijn doeken altijd af, ze gaan ingelijst en gevernist naar een expositie, maar dat hoort kennelijk niet meer in deze tijd. “Daar zit een haar” wees hij aan. “Dit doek zit vol haren, slechte kwast gebruikt denk ik. Of deze schilder heeft een grote hond, die in zijn atelier rondscharrelt.” Hij slenterde gedesillusioneerd naar een volgend meesterwerkje, twee vuile, enigszins doorzichtige, plastic golfplaten over elkaar heen, met hier en daar wat verfspatten en –vegen.  “Er zit vast een heel concept achter,” zuchtte hij. “Dit lijkt zo uit de garage gepakt,” zei de Muze, “net als dat knutselwerkje daar. Maar dat mag ik zeker niet hardop zeggen, hè? Ik heb er geen verstand van en zij hebben er voor doorgeleerd…”

De koffie was redelijk te drinken en zo’n Fries Dûmpke is lekker. En het uitzicht over het park was mooi. De Kunstenaar ging nog even naar de boeken kijken die ter verkoop lagen uitgestald en de Muze luisterde naar een gesprek van 2 dames achter haar, terwijl ze net deed alsof ze kunstkaarten uitzocht. “Ik oordeel niet” hoorde de Muze achter zich zeggen en ze spitste haar oren, want ze wilde wel eens weten wat anderen van de aangeboden kunst dachten en ze hoopte op een diepzinnig vervolg. “Maar als je rookt ga je er naar ruiken. Dat is niet prettig voor je omgeving, daar moet je rekening mee houden.” “Zo ben ik nu eenmaal.” zei de andere dame zachtjes. “Ja,” zei dame 1 net iets te hard, “En dan zeg jij dat je nou eenmaal zo bent. Ik accepteer dat, zo ben ik, maar niet iedereen is zo zonder oordeel als ik.”  De Muze had genoeg gehoord en liep weg. Zij had wel een oordeel: die 2 dames zaten te praten alsof ze teksten uit de Happinez uit hun hoofd hadden geleerd. 

Een beetje nat van de regenachtige wandeling terug naar de parkeerplaats, stapten de Kunstenaar en zijn Muze weer in hun auto. Onderweg zwegen ze een tijdje. “Eigenlijk snap ik er niks van” zei de Muze tenslotte. “Als mensen dit soort tentoonstellingen zien, begrijp ik dat ze het niet nodig vinden dat Musea gesubsidieerd worden. Deze kunst is een slecht voorbeeld van Hedendaagse Kunst, het leek erg op het resultaat van een fijne hobby. Het maakt me verdrietig.”

“Ik ga maar gewoon verder met maken wat ik mooi vind,” zei de Kunstenaar en omdat de Muze er totaal geen last van heeft, draaide hij nog een shagje. 

10 August 2011
By on 16:14
Vakantie….

Vakantie!! Heerlijk: andere omgeving,  nieuwe dingen ontdekken, lezen, doen waar anders nooit tijd voor is, klungelen, tijd vermorsen… Heerlijk, heerlijk!

“Ik laat jullie thuis” zeg ik tegen mijn innerlijke personages, “alleen de Wonderdoener gaat mee, want ik ga verschrikkelijk genieten van mijn Lief en verder ga ik niets doen waar ik jullie bij nodig heb.” Ik hoor ze lachen, binnen in mij. “We zullen zien, Majesteit” zegt de Nar breed grijnzend.

Mijn Lief pakt de auto in, de hele achterbank is vol, vakkundig gestapeld en gestouwd. “Niks vergeten?” vraagt hij. “Stekkers uit de computer voor als het gaat onweren terwijl we weg zijn? Gas uit? Koffiemachine uit? Hebben we 2 honden op een matrasje in de achterbak? Dan gaan we!”

We hebben een verbouwde koeienstal gehuurd, in Frankrijk, een ware vluchtstrook uit de Randstad. Ik leg de meegenomen lappen op de bankjes, zodat de honden er op kunnen liggen en mijn Lief maakt de grote houtkachel aan, want ondanks het zomerse jaargetijde is het knap frisjes. Ik rommel in het keukentje en maak een boodschappenlijstje. “Heerlijk, zo er even helemaal uit” hoor ik de Nar in mij grinniken. De Kok blijkt ook meegekomen en fantaseert opgewekt over Coq au Vin en BÅ“uf  Bouguignonne en misschien zijn er wel van die kleine artisjokjes en vergeet de pâte brisée niet, voor een bramentaartje…

Na de boodschappen klap ik mijn laptopje uit, de Schrijfster heeft zin om een paar notities te maken. Tijdens het wandelen met de honden, loopt de Sjamaan ook mee. Hij wijst me op de bossen maretak in de bomen en het bloeiende St.Janskruid en de wilde rucola en de groene hazelnoten  langs het pad. De honden verdwijnen in een maïsveld en blaffen plagerig naar de nieuwsgierige pinken die verbaasd meelopen langs het hekje. We lopen de heuvel af naar een ven, waar de honden onmiddellijk inspringen om daarna vrolijk rond te rollen in het gras, zodat ze stinkend en vol kroos naar huis kunnen. Later ga ik naar de markt in het naburige stadje en neem mijn fototoestel mee, want de Magiër wil dat graag vastleggen. De Verzamelaar grabbelt in allerlei bakken en dozen met onbestemde rommeltjes en de Schatbewaarder tikt haar steeds op de vingers: “Nee, dat heb je niet nodig en dat ook niet. We hebben al bordjes genoeg en dat is een lelijk vaasje en dat is mooi, maar er is een scherfje af en.. nou, neem dat maar mee, een patépotje met een eend op het dekseltje, wat leuk .. oh en dat mag ook, een deeg-rollertje-snijdertje hoe heet zo’n dingetje, dat hebben we nog niet, wat een geestig klein apparaatje voor 1 euro…” “Jam!” roept de Moeder, “biologische confiture de fraise, gemaakt à la maison, kijk, dat vindt je Lief zo lekker! Neem nou mee, zo’n grote pot, voor zijn ontbijtje!” De Kok ontdekt boterboontjes en gerookte knoflook, de Magiër ziet prachtige composities op de kramen en de Wonderdoener fluistert: “Kijk eens wat een schattig sexy nachthemdje…”

Vakantie… We wandelen door een bos en mijn Lief kan in de tuin boogschieten en de roos op 60 meter afstand zetten. Ik lees een boek en lig in de zon, zodra die zich vertoont. En alle vuile was stop ik in een plastic zak in mijn koffer.

Wat is vakantie toch ontspannend en zo heerlijk anders, zo lekker een paar dagen er even helemaal uit. Rustig ook, zo zonder die interne gesprekken… nou ja, een paar personages waren toch meegekomen en dat was ook wel gezellig en praktisch. Er moet gegeten worden op dat vakantieadres, want het is zo onrustig met 2 honden in een restaurant (zei de Moeder) en je mag nergens roken (zei de Nar) en dat leuke keukentje is van alle gemakken voorzien (zei de Kok) en dit is zo’n inspirerende plek om te schrijven (zei de Schrijfster) en wat is alles hier fotogeniek (zei de Magiër) en wat een prachtig bos (zei de Sjamaan) en een brocante is heel anders dan een rommelmarkt (zei de Schatbewaarder) en yoga in de tuin is ook goed voor je (zei de Danseres) en wat is het fijn om goede vrienden te ontmoeten (zei de Wonderdoener)…. Ja, het is echt heel anders dan thuis (zei de Zwerver).

Want thuis stookt mijn Lief de houtkachel als het ‘s avonds fris wordt en als hij wil boogschieten in de tuin staat de roos op 15 meter afstand. Thuis sta ik veel te koken, maak ik boodschappenlijstjes en trakteer ik mezelf af en toe op de rommelmarkt. Ik lees een boek en lig in de zon als die wil schijnen. Thuis zit ik regelmatig te schrijven en wandel soms in het bos. Meestal loop ik met de honden langs het maïsveld en controleer intussen of de hazelnoten al rijp zijn. Thuis blaffen de honden naar de schapen en zwemmen ze in de sloot. En de was gaat in de machine.

Vakantie is echt heel anders.

3 August 2011
By on 14:59
Intern gesprek (17)

Een keer per jaar hou ik een algemene vergadering met mezelf.Ik roep al mijn interne personeelsleden op en informeer naar hun welzijn.

Toen ik nog een loondienstbaan had, werd zo’n algemene vergadering aan het eind van een schooljaar gehouden. Iedereen was doodmoe en niemand had zin in zo’n bijeenkomst. We zaten op slechte stoeltjes en kregen rugpijn en luisterden verveeld en ongeïnteresseerd naar de mededelingen van de directie. Zelfs aangekondigde bezuinigingen en bizarre veranderingen konden ons niet meer in actie krijgen. We lieten de woordenstroom over ons heen komen, we zaten ons te ergeren, we dronken een glaasje goedkope wijn en we gingen nog even dat ene klusje afmaken zodra we de vergaderruimte mochten verlaten.

Zo wil ik dat dus niet doen. Ik wil een goede bestuurder zijn van mijn eigen koninkrijkje, zodat ik in harmonie met mezelf kan leven. Daarom roep ik, als Koningin, al mijn onderdanen op, ook de helpers en de gepensioneerden. Ik prop ze in mijn fantasie allemaal in mijn werkkamer en zet de Schrijfster achter de computer om meteen te notuleren.

Daar zijn ze dan: De Sjamaan zit in de beste stoel met de honden aan z’n voeten, de Zwerver ligt onder het bureau, de Nar zit op de grond voor de houtkachel, de Soldaat staat op wacht bij de deur. De Moeder zit een beetje klem tussen de Verzoener en de Kok op een te klein bankje, de Wonderdoener leunt elegant in de vensterbank, de Schatbewaarder en de Verzamelaar zitten samen op een krukje en de Heelmeester staat achter de Schrijfster te controleren wat ze notuleert. De Toneelspeelster en de Danseres zitten ergens op de grond te giebelen. De Lerares zit stijf rechtop op een klapstoeltje en de Magiër staat midden in de kamer besluiteloos rond te kijken of er ergens een plaatsje voor hem is. Om een goed overzicht te hebben ben ikzelf op het bureau gaan zitten. “Doe de deur dicht” zeg ik tegen de Soldaat, “Mannetje Schuldgevoel staat te dringen om binnen te komen en hij heeft de Uitsteller bij zich en die horen hier niet. En ga gewoon op de grond zitten, Magiër, je staat nu zo in het middelpunt, dat je in de weg staat.”

Ik ben meteen tot de kern gekomen. Als 1 werknemer te veel aandacht krijgt, worden de anderen klagerig en dat geeft onrust in mijn koninkrijk. Ik moet de taken nog maar eens goed bekijken en misschien zelfs herschikken.

Is de Soldaat nog zo prominent nodig? Het is mooi om strijdbaar te zijn, maar kan ik hem niet beter op non-actief zetten en alleen oproepen als het echt nodig is? En wordt het geen tijd voor de Moeder om zich te verzoenen met het leven? Moet de Schatbewaarder de Verzamelaar niet beter in toom houden? En de Zwerver, doet die nog eens wat of is hij klaar met z’n omzwervingen?

De Zwerver grijnst breed. “Ik sta altijd klaar om verder te gaan,” zegt hij. “Knapzakje gepakt. Maar ik weet nooit waar ik naar toe ga, dat is juist het aardige. Dat ik me thuis voel, wil niet zeggen dat ik niet weg kan, dat ik niet kan veranderen. U heeft me nodig, Majesteit, anders blijft dit koninkrijk risicoloos hetzelfde als het altijd al was. En dat gaat vervelen, dat weten we.”

Waarmee de Zwerver zijn nut bewijst. Het is goed zo, hij doet waar hij voor is aangenomen en is zelf tevreden. Zo hoort het. En de Soldaat? Die knikt. “Zoiets bedoel ik. Vechten als het nodig is en verder een beetje in de zon zitten en mijn geweer poetsen. Fijne baan.”  Schatbewaarder? Die aarzelt… “Ik zou wel wat harder kunnen werken, eigenlijk. Als ik de Verzamelaar d’r gang laat gaan, barsten we straks uit dit huis. U heeft gelijk, Majesteit, ik ben een beetje laks geweest, de laatste tijd. Hm.. Kunt U straks een nieuwe taakomschrijving voor me maken? Of nee, ik doe het zelf wel. In de hoop dat U er mee akkoord gaat. Ik ben van plan de verzameling Facebookvrienden aan een diepgaand onderzoek te onderwerpen. En de Verzamelaar heeft een enorme hoeveelheid ideeën bij elkaar gelegd, toen ik even niet oplette… daar mag ook wel de bezem door.” “Heel goed,” onderbreek ik haar. “Er bestaat inmiddels ook een verzameling Goede Voornemens en Onuitvoerbare plannen, gooi die alsjeblieft weg, ik heb er last van.”

Ik kijk naar mijn zekerheden: de Sjamaan en de Wonderdoener. Altijd aanwezig, ook als ik er niet zo op let. Ze zijn voortdurend aan ’t werk, bij alles wat ik onderneem. Ze voelen zich gewaardeerd en gerespecteerd en zitten er ontspannen bij. “Geen bijzonderheden, schrijf dat maar op,” dicteert de Heelmeester aan de Schrijfster. “Wilde jij iets zeggen?” vraag ik aan de Heelmeester. Ik zou hem namelijk wel willen ontslaan, die betweter. Eigenlijk is hij behoorlijk hinderlijk, zo iemand die analyseert en de diagnose stelt en met een scherpe scalpel een zieke plek wegsnijdt. En dan vervolgens iets anders gaat doen, zonder zich te bekommeren om de gevolgen van zo’n ingreep. Hij doet dat bij mezelf, maar soms ook bij mijn vriendinnen en die zitten daar vast niet op te wachten. Het lijkt dan alsof hij ongevraagd in actie komt en dat kan toch niet de bedoeling zijn. Ik kan niet toestaan dat hij sterker is dan ikzelf. Ik heb de Soldaat onder controle, dat zou met hem ook moeten kunnen. “Majesteit,” begint hij, “ik ken Uw gedachten over mijn werk. U houdt er niet van, U zou liever altijd lief en aardig zijn, overlopen van compassie en altijd afgaan op Uw gevoel. Maar ik heb een scherp verstand en veel ervaring. Bovendien lukt het de Nar niet altijd om de zaken te relativeren en met humor te bekijken en dan moet ik iets doen. U kunt mij beter niet afdanken, ik ben een onderdeel van Uw persoonlijkheid en als U mij weg gooit, zou er wel eens chaos kunnen ontstaan.” Daar is weinig tegen in te brengen, hoewel ik dat graag zou willen. “Als ik een suggestie mag doen, Majesteit,” gaat de Heelmeester ongevraagd verder, “zet mij dan samen met de Moeder in.”

Wat is dit nou weer voor merkwaardige combinatie? Hoewel… als de Heelmeester rücksichtslos bezig is geweest, kan een dosis vertroeteling en verzorging geen kwaad. En zo heb ik eindelijk een goede taak voor de Moeder gevonden. De Verzoener lacht: “ja, zo af en toe krijg ik de boel wel bij elkaar… sinds ik U niet meer mag aanpassen en wegcijferen en verzoenen met de omstandigheden, hou ik me met interne zaken bezig. Niet slecht, hè?” Nee, helemaal niet verkeerd. Heeft de Nar er iets aan toe te voegen? “Geen commentaar,” zegt hij, een beetje verveeld. “Ik hou me vooral met de diva’s bezig, die hebben me het hardste nodig. De aanstellers.”

De diva’s zijn kennelijk de Toneelspeelster en de Danseres. Ja, dat zijn aanstellers, maar ze brengen me een hoop plezier. Sinds de Danseres met pensioen is, valt ze me trouwens niet meer lastig met onzekerheden en ik-doe-het-ook-nooit-goed gedachtes. Soms mompelt ze nog zachtjes: “moet jij niet naar de sportschool?” en “zou je al die koekjes nou wel opeten” maar ze maakt zich niet echt meer druk. Die andere Diva wel, die zit nog vol Toneel-ambitie en ze krijgt daar alle gelegenheid voor. Ook heel leuk allemaal, maar goed dat de Nar het relativeert en laat zien hoe idioot ze soms doet.

Ik kijk om me heen, naar dat merkwaardige groepje innerlijke personen. De Kok let niet echt op, die zit al weer in kookboeken te bladeren en verheugt zich op straks, fijn, de keuken in. De Lerares schudt haar hoofd. “Ik doe niet meer mee,” zegt ze. “U moet me niet meer oproepen voor zo’n vergadering. Ik ben met pensioen, ik hoef niet meer en ik heb er geen zin meer in. Ik woon heel fijn in de boekenkast. Ik ben nou Jane Austen aan ’t lezen, in het Engels, zo leer ik nog wat bij. Ik geef alleen mezelf nog les en soms werk ik een beetje met de Kok of de Toneelspeelster.” Ze staat op en verlaat waardig mijn werkkamer.

De Schrijfster zucht. Die heeft het druk gehad de afgelopen maanden. Maar ze vond het heerlijk. Na drie toneelstukken en een column mocht ze even pauze, maar nu heeft ze er weer zin in. Ze tikt vlijtig door, het ene na het andere sigaretje rokend en de tijd vergetend.

Alleen de Magiër zit daar middenin de kamer ongelukkig te wezen. Ik geef hem het woord. “Majesteit, een Magiër wil toveren. Daarom gebruik ik mijn fantasie. Ik zie van alles voor me: een verhaal of een beeld of een bordje eten. Ik maak toekomstplannen. En dan zwaai ik met mijn toverstok. Maar tover ik ook echt? Laat ik dingen verschijnen die er daarvoor niet waren? Ik twijfel een beetje aan mezelf, Majesteit. Ben ik wel een waardevol lid van Uw koninkrijk? Ben ik als innerlijk personage wel interessant?”

Ja, natuurlijk wel. Maar na de magie moet er gewoon hard gewerkt worden. Het verhaal geschreven, de maaltijd bereid, een foto gemaakt en bewerkt en een monoloog is nog niets als de tekst niet gespeeld is. Naar alles wordt kritisch gekeken, er wordt geproefd, veranderd, afgekeurd en vernieuwd. Er wordt geanalyseerd en gerelativeerd, gevochten en aanvaard, gelachen en gezwoegd. Mijn voltallige personeelsbestand doet met liefde mee. En zo hoort het ook in een goed bedrijf.

Ik sluit de vergadering met een voldaan gevoel. “Maak je nog even een besluitenlijstje?” vraag ik. Dit is het:

Innerlijke samenwerking en taakverdeling:

  1. Sjamaan, Wonderdoener (spiritualiteit, leven en dood, natuur, liefde) – altijd aanwezig
  2. Soldaat, Zwerver, Nar (strijdbaarheid, verandering en humor) – inzetten indien nodig
  3. Heelmeester (analyse en rigoureus wegsnijden) en Moeder (verzorgen) – samenwerken
  4. Verzoener (tegenstrijdigheden bij elkaar brengen) – alleen intern inzetten, de Majesteit zich niet laten “verzoenen” met iets wat ze eigenlijk niet wil!
  5. Schatbewaarder (hoeder van alles van waarde) – alle verzamelingen nakijken op houdbaarheid en overbodigheid, de Verzamelaar beperken.
  6. Kok, Toneelspeelster, Schrijfster (koken, toneelspelen, schrijven) – doorwerken op huidige wijze.
  7. Lerares en Danseres – definitief met pensioen.
  8. Magiër – z’n gang laten gaan, want creativiteit is Magie. 

 

14 July 2011
By on 10:07
Babyboomer

Ik ben een babyboomer.

 

In mijn jaar zijn zoveel kindjes geboren, dat er een lokaal en een klasje bij moest komen toen ik naar – wat toen nog de eerste klas heette – school ging. Kind van ouders die leefden volgens de indeling voor de oorlog, tijdens de oorlog en na de oorlog. Vaders en moeders die er alles aan deden om de volgende generatie te behoeden voor bezetting en angst, die de werkeloosheid van de jaren dertig nooit meer terug wilden, die droomden van een beter leven voor hun kinderen. Wat hebben die ouders gezwoegd in de jaren vijftig. Volop in de Koude Oorlog keken ze met grote angst naar het IJzeren Gordijn en hun kinderen ver-Amerikaniseerden in hoog tempo met spijkerbroeken, Hollywood, rock ’n roll en snackbars. (Ja, dat kun je nu nauwelijks bevatten, de eerste patat-zaak in de buurt! Geweldig!)

 

En wat hebben wij, babyboomers, gefeest in de jaren zestig! En lekker geprotesteerd tegen de vertrutting! Wij waren van de beatgeneratie, van provo’s en kabouterpolitiek, van vrije seks en het eerste blowen. En toen we uitgefeest waren, gingen we alle goede banen bezetten. Zo, dat was goed geregeld! Wij hadden het beter dan onze ouders. We bouwden mee, we zorgden voor de AOW van alle ouderen, we ontwierpen een rijke culturele infrastructuur en we deden aan geboortebeperking, want zo’n geboortegolf moet je niet al te vaak veroorzaken.

 

En onze kinderen, geboren tussen pakweg 1960 en 1975, werden heerlijk vrij opgevoed. Wij onderhandelden met kleuters en lieten pubers hun gang gaan. Dus ze hadden niks om tegen te protesteren toen ze de feestleeftijd bereikt hadden. Alleen zorgen. Oliecrisis en werkeloosheid, no-nonsense politiek, studieschulden en aids, dat kregen de jongeren van de jaren tachtig. Geen blije hippies meer en flower-power, gewoon verslaving en dus afkick klinieken en jattende junks, zodat de babyboomers steeds hun fiets kwijt waren en hun autootje met ingeslagen ruiten terugvonden. Geen ludieke protestdemonstraties, maar keiharde rellen. En de eerste bezuinigingen in het onderwijs kwamen er aan en heel veel merkwaardige bureaucratische regelingen. Ik begreep er niks van, wij hadden geprotesteerd tegen de regentenpolitiek en nou deden we het zelf. En we lieten een generatie Nix opgroeien. Maar ja, ik had het druk, hè. Volle baan, huis gekocht, en ik wou ook nog mezelf ontwikkelen. Ik dacht: “het zal allemaal wel, ik heb nou even geen tijd voor het milieu” en ik kocht in grote haast een heleboel spullen die mijn leven moesten veraangenamen. En ik keek niet meer om, want ik had van alles te doen. Zoals alle babyboomers.

 

En toen zat ik opeens, na veertig jaar, weer op het Malieveld in Den Haag te demonstreren. Een vreemde gewaarwording. Het was een prachtige, warme en zonnige dag. De trein zat helemaal propvol met kunstenaars. Gezellig, je kwam nog eens iemand tegen op die manier. En iedereen deed mee aan het kledingvoorschrift, (een wit kruis op zwarte ondergrond) maar dan toch weer niet allemaal hetzelfde, want kunstenaars doen natuurlijk hun best om te laten zien dat ze niet in een kudde meelopen, stel je voor. In plaats van eindeloos pamfletten te moeten verspreiden en een telefoonpiramide, hadden we onze informatie via het internet gekregen, lekker snel en modern. Toch was op het Malieveld een ouderwets programma samengesteld, met muziek en sprekers. Dat waren mooie, vlammende betogen waar we het allemaal heel erg mee eens waren. Het was natuurlijk wel jammer dat de tegenstanders zich niks van de argumenten aantrokken, maar nou ja, dat hoort bij een protestactie.

 

Ja, ja, daar zat ik weer. Ik protesteerde, ik was boos. Maar anders dan vroeger, toen ik protesteerde tegen de generatie voor mij, tegen de na-oorlogse wederopbouw en de burgerlijke moraal. Toen ik geloofde dat we het echt beter en leuker en vrijer konden maken, dat we de wereld konden veranderen en dat er nooit meer oorlog zou komen. Ik zat op het Malieveld omdat ik het gevoel had, dat alles voor niets was geweest. Dat ik in mijn werkende leven niets had bereikt. En voor iemand die is opgegroeid met het idee dat we het met z’n allen prachtig voor elkaar hebben, is dat geen prettig gevoel.

 

Maar ja, wij babyboomers gaan nu zo’n beetje met z’n allen met pensioen. Wij zijn de macht kwijt. En de generatie Nix neemt wraak.

 

8 July 2011
By on 12:49
herinnering aan een ex

Mijn leven zit vol ex-mannen. Met twee was ik ooit getrouwd, met twee anderen niet, en dan waren er nog wel eens wat korte en een beetje stiekeme verhoudingen, maar tellen niet mee: dat zijn de tussenmannen.

De eerste drie relaties waren kort: elk 5 tot 8 jaar. Maar omdat ik een voorkeur had voor oudere mannen, brachten ze alle drie een verleden mee in de vorm van ex-vriendinnen en ex-wettige echtgenotes, familie, kinderen, vrienden, spullen…  Tja… Kies je voor de Man, dan neem je zijn verleden erbij. Je gaat niet zeuren over een vreemde lamp of een merkwaardige vriend en zeker niet over exen of kinderen. Ze zijn er nou eenmaal.

Met nummer 3 had ik trouwens ook zelf al een “verleden”.

Een maand na mijn eindexamen van de dansacademie, deed ik auditie voor de musical Anatevka, indertijd met Lex Goudsmit in de hoofdrol. Bloednerveus stapte ik een kantoor binnen, waar een grote man achter een bureau zat. Ik gaf netjes een handje, overhandigde mijn cv (waar mijn werkervaring als elfje Spinrag in de Midzomernachtsdroom op stond en mijn naam, de kleur van mijn ogen en mijn lengte) en keek hem afwachtend aan. “Tja…” zei hij. “Je bent te groot voor de jonge dochters.”  Ik kon weer gaan. Kortste auditie ooit.

Mijn 2e ontmoeting was een paar jaar daarna. Ik was inmiddels getrouwd met man nummer 1 en ik was een jong, beginnend choreografe. Tot mijn vreugde mocht ik de dansen maken voor een grote televisie-show, met als ster Lex Goudsmit. De producent van de plaat bleek dezelfde man die mij had afgewezen omdat ik te lang was. Aardige, charmante man, met krullen en lichte ogen. “Kom bij mij de uitzending bekijken,” bood hij aan. “Ik heb kleurentelevisie.” Aangezien wij thuis een mini-zwart-wit-teeveetje hadden, vond ik dat wel een erg fijn idee. Ik dacht, dat we dan met z’n allen nog een klein feestje zouden vieren.

Ik zei al, ik was jong. Ik at om half zeven een bordje andijviestamppot en een kommetje yoghurt met muesli, kuste mijn man en vertrok naar de producent, met de tram. Daar bleek ik de enige gast te zijn. Zijn vriendin (of was ‘t zijn vrouw) moest werken en Lex Goudsmit en de regisseur zaten gewoon met hun familie op de bank in hun eigen huis. Hij liet me zijn flat zien, met een gazon op het dak van een garage en panterprints op de muren van de slaapkamer. Daarna maakte hij meloen met ham voor me klaar, we dronken wijn en we keken naar de show. “Zo” zei hij, “nu moet je nog 1 ding voor me doen.” Ik dacht nog, “oh nee, hè, niet deze goedkope truc..” maar hij vervolgde: “We gaan samen eten.” Voor ik het wist zaten we in een Spaans restaurant en verorberde ik nog eens een complete maaltijd. Hij bestelde ook dessert, zonder met me te overleggen. “Dat vindt jij lekker,” stelde hij me gerust, toen ik zachtjes protesteerde. Na de andijviestamppot, de yoghurt, de meloen en de paella at ik ook nog een enorme coupe chocolade-roomijs. En na dit alles, bracht hij me netjes naar huis.

Het was 10 jaar later, toen ik hem weer ontmoette en verliefd werd. En met hem trouwde, met hem en met zijn verleden.

Een stukje van dat verleden waren zijn zonen, waarvan de jongste – door omstandigheden gedwongen – bij ons in huis kwam wonen. Een kind, dat mij in zeer korte tijd volwassen maakte. Ik nam de verantwoordelijkheid om die puber een veilig thuis te geven – en dat lukt alleen als je alle spielerei achter je laat.

Het huwelijk hield geen stand, maar mijn stiefmoeder – kind relatie wel. Hij belde me in de vroege ochtend op, om te vertellen dat zijn vader was overleden. Ik wist even niet wat ik moest zeggen.

“Ach” zei hij, “je hebt natuurlijk niks meer met hem, maar ja, hij is toch de vader van je kind.”

24 March 2011
By on 18:01
storing?

Als je pijn in je rug hebt, is er 1 ding wat je moet vermijden: zitten. Lopen is prima, liggen is okay, voorzichtig de buikspieroefeningen doen kan ook, maar zitten… niet goed. Daarom heb ik nu een probleem. Want ik ben een schrijfster geworden en tja… zowel mijn mooie rooie molskin als mijn computer lokken. Ik ben met 3 schrijfprojecten tegelijk bezig en het is hoog tijd voor een blog. Dus ik wil schrijven. Want ik kan het niet laten en hoop op betere tijden en hulp van de fysiotherapeut.

Kreunend laat ik me op mijn bureaustoel zakken. Wat ben ik toch zielig met die rugpijn. En toch gedisciplineerd aan het werk: ik ben ook heel braaf. Maar voor ik het weet, zit ik gelukkig te wezen. Het is zo fijn om in mijn werkkamer te zijn. Het is zo’n dag dat de winter toegeeft dat het binnenkort lente zal worden. Krokusjes en sneeuwklokjes in het gras onder de oude eiken, een zweem van kleine viooltjes in de voortuin, het begin van speenkruid onder de kale spireastruiken en de forsythia staat op springen. Af en toe rijdt een auto voorbij. Er komt een gezin aangewandeld, op weg naar nergens. Vader een beetje sikkeneurig, moeder iets te opgewekt, twee verveelde kinderen slieren met een grote dode tak over de straat. Een klein hondje dribbelt, met hoog-over-de-rug-krullende staart, met ze mee. Ik hoor paardenhoeven op de weg in de verte. Een troep kraaien landt in het veld en vormt zwarte bewegende vlekjes tussen het goud van de stompjes maïsstengels.

Het zonlicht schijnt door de hoge ramen mijn kamer in. Het reliëf aan de muur krijgt daardoor sterke contrasterende schaduwen, die bijna ongemerkt veranderen van plaats met het verstrijken van de tijd. De rode tulpen op mijn bureau hangen vermoeid over de rand van hun vaas. Kaarsen branden, een sigaret ligt te smeulen. Een hond ligt aan mijn voeten, zorgvuldig opgerold in het plekje zon op het kleed en slaakt diepe gelukzalige hondenzuchten.

… — … … — …

Meteen hoor ik de merel niet meer zingen en ik zie die mevrouw met een idiote rode hoed op niet langsfietsen. Sms! Wie roept me? Wie heeft me wat te vertellen? Ik spring op – au, mijn rug! – grabbel gehaast in mijn tas naar mijn mobieltje…

Maar ho even…

Wat ben ik aan ‘t doen? Waarom reageer ik zo dwangmatig? Wat is zo belangrijk, dat het niet kan wachten? Toen ik verliefd hoopte op berichtjes van mijn Lief en elk piepje ontvangen werd met bonkend hart, ja toen vond ik mijn eigen telefoon-obsessie heel normaal.  Maar mijn Lief is gewoon thuis en ik heb zeker geen geheime minnaar, dus…. Ziekte of ongeluk van een dierbare? Als slecht nieuws per sms binnen komt, wordt er geen onmiddellijke hulp van me verwacht. Waarom dan al die opwinding? Ik voel me net als mijn lunch-vriendin, die ons gesprek steeds onderbrak, omdat ze geconcentreerd dat kleine apparaatje zat te bevingeren. Ik onderbreek nu mezelf! Waarom? Ik vind opeens dat die dominante aanwezigheid van een berichtenstroom lijkt op een enge ziekte. Help! Ik ben incontinent: ik kan mijn mededelingen niet meer ophouden.

… — … … — …

Ach.. Nu ik toch opgestaan ben en mijn schrijfwerk onderbroken heb, kan ik beter wat in de tuin rondscharrelen. De honden, wakker geworden van al die telefoonactie, willen wel even mee. Er knettert een brommer voorbij. Ik pluk wat aan de uitgebloeide hortensia’s. Mijn Lief  loopt, met een petje op, een beetje te dromen in de tuin. De koolmezen zijn al druk doende met nieuwe kraamkamers in de nestkasten. Ik hoor het fffrrrt van hun fladderende vleugeltjes en het zachte ritselen van snuffelende honden tussen dode eikenbladeren.

Dat zijn stuk voor stuk Hoogst Belangrijke Bezigheden, besef ik dankzij mijn innerlijke Sjamaan. Ik begrijp, dat ik mezelf niet heb onderbroken, want dit is namelijk het echte schrijfwerk. Ik mag de informatie-overvloed van Facebook, skype, @mail en telefoon even laten voor wat ze zijn en me richten op mijn innerlijke berichtenstroom. Als Schrijfster neem ik al die beelden in me op en ik weet dat het ooit een blogje zal worden. De Magiër in mij is al druk bezig iets te laten ontstaan wat er daarvoor nog niet was. En – ook niet onbelangrijk – mijn rug is heel blij met zo’n wandelingetje.

Bij nader inzien was die storing heel welkom, al weet ik dan nog steeds niet wie dat smsje stuurde.

13 March 2011
By on 12:02
Een briefwisseling met mezelf

Lieverd,

Als 92-jarige ben ik nog behoorlijk goed bij mijn hoofd en sta nog volop in het leven, ook al willen de benen niet meer zo soepeltjes. Lange strandwandelingen en lekker door New York slenteren is er niet meer bij. Daarom kom ik maar meteen to the point: verspil geen tijd.

Want dat gebeurt zo makkelijk: je stelt de dingen die je doen wilt “even” uit. Je ruimt morgen die kast op en je zou volgende week best kunnen beginnen aan een nieuw gedicht. Je wilt leren hoe je zelf filmpjes maakt op de computer en dat ga je heus nog wel eens doen, maar nu niet. Net als een zieke vriendin bellen: het komt nu even niet zo goed uit. Je moet eens op bezoek bij een vriendin in Amsterdam of Antwerpen of Lausanne of Melbourne, je zou nog wel eens een theatertripje naar Londen willen maken en weet je wat ook leuk is? Naar Vlieland. “Doen we”, zegt de Uitsteller. “Straks”. “Morgen”. “Van de zomer”. “Als ik tijd heb”.

Maar je weet niet hoeveel tijd je nog hebt. Leef je echt nog dertig jaar? En ben je dan een verwarde heks geworden of een actieve Stadse Dame? Hoe lang heb je nog de mogelijkheid om je passie te volgen? Ben je er morgen nog wel? De enige tijd die er is, is NU. Wil je een schrijfster zijn? Schrijf dan nu. Vergeet het dramatische effect van de nagelaten werken van de dierbare overledene, die dan door de erfgenamen worden uitgegeven (en een bestseller worden) en pieker niet over verhuizen naar Hollywood als je nog aan je eerste filmscript moet beginnen. Schrijf nu.

Want je wilt niet als oude vrouw spijt hebben van de dingen die je niet gedaan hebt.

 

Geachte mevrouw,

Je wilde een brief van me hebben en weten waar ik mee bezig ben en of ik al weet wat ik later wil worden. Dat weet ik best. Als ik later groot ben, word ik een beroemde danseres. Of toneelspeelster. Of filmster. Daar ga ik heel erg mijn best voor doen. Misschien moet ik mijn ogen dan laten opereren en iets aan mijn tanden veranderen. En ik moet wel harder groeien, want ze zeggen dat ik niet groter word dan Mamma en die is maar één-meter-vijf-en-vijftig. En ik word natuurlijk ook moeder. En ik ga trouwen in een lichtgroene jurk, niet in ’t wit, want dat doet iedereen al. En als ik moeder ben, dan zit ik thuis als alle kinderen uit school komen en daarna ga ik het eten klaarmaken. En overdag schrijf ik. Ik schrijf hele boeken, of ik schrijf in een dagboek, net als Anne Frank, maar natuurlijk niet in de oorlog. Want er komt nooit meer oorlog, heeft Pappa gezegd. Dat ga ik later allemaal doen. Goed hè? Maar nu ben ik pas acht en nu ga ik eerst naar balletles. Anders kan ik geen danseres worden. Dat moet ik nu leren.

Dag hoor, tot later!

 

Hoi klein meisje van acht jaar,

Wat sta je daar nou te dansen in je katoenen roze hemdje en onderbroekje, voor de grote spiegel in de slaapkamer van je moeder? Ik zal je bekennen dat ik stiekem nog altijd even een klein dansje doe, voor mijn slaapkamerspiegel en als ik zeker weet dat niemand kijkt. Want mevrouwen van mijn leeftijd horen geen dansjes te doen en al helemaal niet in hun ondergoed!

Het leven is een beetje anders gelopen dan je toen dacht. Je bent wel een danseres geworden, maar niet zo heel erg beroemd. En toch heb je vanaf je vierde jaar hard je best gedaan. Maar die drang om te dansen zakte een beetje weg, dansen is ook wel verschrikkelijk moeilijk! En je ambitie om filmster te worden verdween ook, je moest er zo veel moeite voor doen… daar had je allemaal geen zin meer in. En je kon maar niet besluiten wat het goede moment zou zijn om moeder te worden en toen was ’t opeens te laat. Er waren ook zo veel andere dingen om te doen! Feesten en zuipen in de kroeg. Een heleboel mannen om pret mee te maken. Trouwen (in ’t wit) en scheiden. Voor kinderen van een ander zorgen. Verdriet hebben en eenzaam zijn. Een carrière die opeens een hele andere kant op ging… Dat was ook leuk hoor, maar toch een beetje anders dan je gedroomd had. En je hebt ook geen boeken uitgegeven, jammer hè? Ja, wel dagboeken vol geschreven, vooral als je veel verdriet had. Je kan immers ook verdriet hebben als het geen oorlog is. Dus in dat dagboek staan allemaal dramatische verhalen, over onmogelijke liefdes en periodes zonder werk en geld. Want als je blij en gelukkig was, vergat je te schrijven, dat is wel vreemd. Misschien dacht je, dat je als kunstenaar moet lijden om dat grootse werk te kunnen maken. Of misschien dacht je, dat je later… later als ik groot ben… zou gaan schrijven. Maar wanneer is later?

Dus oude Dame, ik heb de boodschap begrepen. Later is NU geworden. Ik heb inderdaad geen zin om de tijd die ik nog heb, te verspillen aan dingen die ik niet ambieer. Daarom schrijf ik u maar een korte brief, ik moet namelijk aan het werk.

Straks.

5 March 2011
By on 17:20
Fietsen (nummer 28)

“Ik kan fietsen, ik kan fietsen!!” riep ik opgewonden naar mijn moeder. “Mamma, kijk dan, kijk dan, ik kan heel goed fietsen!” en ik peddelde razendsnel met mijn kleine beentjes rond in onze straat.

Die straat waar ik woon is licht en open, want er staan maar aan 1 kant huizen. Tegenover ons huis loopt het verversingskanaal waar het koelwater van de gasfabriek wordt afgevoerd naar zee. Tussen de stoep met de zwarte dropjes-tegels en het water glooit het gras met madeliefjes. Kleine groepjes struiken staan hier en daar te soezen in de zon. De takken van de grote treurwilg bij de brug hangen in het water. Aan de andere kant van het water liggen woonboten aan de kade. Overal drijven eenden. In de winter bevriest dit water niet, dan is dit het vogelparadijs waar zwanen verblijven en de exotische mandarijneend. Maar dat zie ik allemaal niet. Ik ben nu jarig en als cadeau heeft mijn vader een fietsje gehuurd, een prachtig rood fietsje zonder zijwieltjes. En daarna heeft hij achter me aan gehold om de bagagedrager te grijpen als ik om zou vallen. Maar ik viel niet om! Nu zakt hij amechtig hijgend neer op de onderste treden van onze trap, terwijl mijn moeder naar beneden is gekomen om mijn fietskunsten te bekijken en ze geeft me aan de stoeprand mijn eerste staande ovatie. De enkele auto die door de straat rijdt, laveert behoedzaam om me heen. Grotere kinderen fietsen met me mee. De hele buurt weet het, ik kan fietsen!

Vier jaar later kreeg ik op mijn verjaardag mijn eerste fiets. Een tweedehandsje, een klein formaat van wat we nu een oma-fiets noemen. Ik weet nog, dat ik erg mijn best deed om mijn teleurstelling te verbergen, want ik had gehoopt op een rood exemplaar, rood met veel chroom, maar nee, deze was een beetje roestig en degelijk met jasbeschermers en snelbinders en een terugtraprem. Maar ik was blij en trots: mijn eigen fiets! Hoefde ik niet meer dat stuk te lopen naar de tramhalte en kon ik eindelijk op de fiets naar school. Langs de gasfabriek, langs het oude ziekenhuis, langs het koffiehuis waar ik later zo veel uren zou doorbrengen met roken en naar de Beatles luisteren. Met mijn mand achterop met mijn netjes gekafte schoolboeken en mijn slordige schriftjes en de kleine plunjezak met het zwarte katoenen balletpakje, mijn roze schoentjes en witte sokjes en mijn verplichte roze haarband. Helemaal alleen naar het centrum van de stad! Oh, ik kon niet wachten tot de vakantie voorbij zou zijn.

Maar ik werd uitgelachen om mijn rare oude fiets, ook al had ik hem helemaal gepoetst en alle roest er af geschuurd. En dat ik op mijn tiende alleen door de stad fietste, vond niemand een bijzondere prestatie. Ik werd er in elk geval niet om geprezen.  Ik was er van in de war. Was dit niet bijzonder genoeg? Of mocht ik daar niet trots op zijn? Sloeg het “doe maar gewoon” toen al toe?

Ik zat al een jaar op de balletopleiding toen ik zelfstandig door de stad fietste. Daar was ik begonnen in de vierde klas, de breukenklas, groep 6 zeggen ze nu. Aan het eind van mijn derdeklasjaar (groep 5 dus) mocht ik meedoen met de eindvoorstelling van de kinderen die van school gingen, de grote kinderen die 11 of 12 waren. De meeste meisjes hadden al borsten, of, nou ja, in mijn herinnering waren ze echt heel veel ouder en groter.  Ik weet niet meer of ik mee mocht doen omdat ik ook van school zou gaan of omdat ik de enige was die iets van ballet wist, maar ik deed mee. Sterker nog, ik danste voorop, want ik kon dat netjes in de maat (walspas, zo moeilijk vond ik dat niet) en die groten hobbelden achter me aan. We waren bosfeeën geloof ik, of elfjes, misschien waren we vogeltjes. Ik had een oranje-roze tule jurkje aan. Blote voetjes. En linten in m’n opgebonden vlechten. Ik deed mijn dansje met die grote, beetje plompe, in tule gehulde giechelende dames achter me aan en een solootje en daarna verdween ik weer in de coulissen. Ik vond het dansje stom, ik had het zelf willen maken, maar dat mocht niet, dat deed de gym-juf. En nee, nou ga ik niet uitleggen dat ik zo trots was op dat optreden. Ik beschikte toen al over een gezonde dosis zelfkritiek en ik wist heel goed dat dit geen grootse performance was. Ik was wel trots op mezelf als zo’n zesdeklasser verlegen in de klas kwam vragen of ik mee mocht om te repeteren. Dat maakte me bijzonder en daar had ik als ondermaats en armoedig gekleed meisje grote behoefte aan. De andere kinderen moesten verder met sommetjes maken en trots rechtop verliet ik de klas.

Wat was dat toch fijn, om als kind onbevangen trots op jezelf te zijn. Toen werd ik nog niet geremd door de regels van Do en Don’t in het sociale verkeer. Eigenlijk jammer dat ik niet meer trots ben op het feit dat ik kan fietsen. Hoewel… toen ik van de zomer op mijn oma-fiets met terugtraprem een tochtje had gemaakt door het weidse platteland en in mijn eentje had gepicknickt langs het kanaal bij de koeien en met een grote bos wilde bloemen onder mijn snelbinders het pad naar ons huis op reed, ja, ik moet bekennen dat ik trots was op mijn 20 kilometer fietsprestatie.  Maar ach, mijn Lief kwam die dag thuis op zijn gave gele racefiets, geïnspireerd door het kijken naar de Tour de France gekleed in een witte outfit met lange sokken. Hij wees, met een biertje in zijn hand, zijn route aan op kaart. Ruim 60 kilometer.

Tja… mijn moment van trots was voorbij.

21 February 2011
By on 18:21